skip to Main Content
+31-16661170 info@wiesvanolst.nl

Mijn besluit voor een sessie bij Wies ontstond op het moment, dat ik in wezen geen idee meer had hoe ik als man van 68 verder moest in mijn leven. Steeds terugkerende depressies, een alsmaar stagnerende creativiteit en een angst te eindigen als vereenzamende oude man, waren de belangrijkste redenen om maar eens te gaan kijken of er een antwoord zou kunnen komen op de vraag:

“Wat is mijn oorspronkelijke doel geweest om (weer) naar de Aarde te komen?”

Naar eer en geweten had ik al het mogelijke zelf al gedaan: meer dan 34 jaar mediteren, talloze trainingen, meerdere incarnaties ‘opgelost’, een spirituele meester, etc.

Tijdens de sessie kwam aan het licht, dat er nog een stevige adder onder mijn grasveldje lag verborgen. Zijn gif had mij in wezen niet kunnen doden, maar wel genoeg verlammen om mijn leven met bepaalde beperkingen op te zadelen. Na de sessie kan ik zeggen, dat het gif is getransformeerd tot medicijn en ik aan een nieuw leven ben begonnen.

Toen Wies mij vroeg of ik hier iets over op haar website zou willen zetten, heb ik van harte ja gezegd. Met name om anderen te laten zien hoe een zielsregressie kan werken.

———————————————————————————————————————–

De sessie

Ik word na enige ontspanning verzocht naar een ruimte te gaan waar ik antwoorden kan krijgen over mijn ziel, een soort innerlijke kamer. De buitenkant ziet er uit als een grote bol, een paar maten groter dan mijn lichaam. Er zit geen deur in – ik kijk door een rond gat in een donkere ruimte. Als ik binnen ben zie ik in een vaag schemerlicht op een plank een mooi juwelenkistje en daarnaast glimmende gouden voorwerpen en sieraden.

Uiteraard krijg ik de vraag van Wies of ik dat kistje wil openen. Op dat moment weet ik al dat het kistje leeg is! Dat blijkt inderdaad zo te zijn wanneer ik het deksel optil: schoon, glimmend donker eikenhout. Ik zeg: “Ik ben een leeg kistje.”

Wies vraagt mij een gids uit te nodigen die mij kan antwoorden waarom het kistje leeg is. Na lang en moeizaam gewacht te hebben, weet ik dat het kistje leeg hóórt te zijn – leeg, neutraal, ik mis niks. Het zit gewoon vol met leegte.

Wies vraagt me nog eens goed te kijken of er toch niet wat in zit. Bijvoorbeeld een boodschap voor mijn dagelijkse leven ……

Vaag verschijnt een in vieren opgevouwen wit briefje. Het duurt lang voor het zich ontvouwt en de contour van een aardappelvorm verschijnt: een dunne lichtbruine lijn. Ik ben niet verbaasd, omdat het contact hebben met het aardse momenteel primair is. Heel geleidelijk vult de contour zich op totdat een tweedimensionaal plaatje van een glimmende nieuwe aardappel is ontstaan. Ik hoor de boodschap:

“Man, ga jij maar gewoon aardappels schillen, jij!!”

Heel simpel. Thuis komen op aarde na al mijn illusionaire reizen. Ik ben echt op de aarde en kan niets daarvan verwaarlozen. Het hoort er allemaal bij, alles wat ik heb ervaren en nog zal ervaren. Dit geeft me een gevoel van rust.

“Eindelijk thuis, hè, hè ……”

Het briefje met het plaatje van de aardappel laat me zien, dat ik een gave aardappel ben, nieuw, fris, glimmend met geheel eigen kuiltjes en pitjes. Uniek. Best wel lekker ook.

Wanneer ik hier klaar ben ga ik naar een andere ruimte waar het goed licht is. Verwonderd kijk ik om me heen: ik bevind mij in een 3-dimensionale ruimte met allemaal trappen en stromende kanalen – helemaal volgens de tekeningen van M.C. Escher, surrealistisch. Ik wil gewoon niet die onmogelijke op de kop hangende trappen op of af. Ik weet heel nuchter dat de wet van de zwaartekracht voor mij bestaat.

Ik kies voor het water dat naar beneden stroomt, de ruimte uit – anders kom ik weer op hetzelfde punt terug! Ik laat me gaan als in een waterval tot ik op de diepste bodem kom. Via een grot waar het natuurlijk fris is en een beetje kunstlicht schijnt, stroom ik naar buiten het zonlicht tegemoet, in een bloeiende natuur. Ik bevind mij nu op de oever. Ik voel me prima maar als man alleen voelt het wat ‘mager.’ Wie horen daar dan bij?

Nu vraagt Wies me naar de ‘ruimte van voorgeboortelijke planning’ te gaan om te horen welke afspraken met wie gemaakt zouden zijn om in het nieuwe leven te ontmoeten. En dan bedoelt Wies met name een nieuwe vrouw. Ik roep direct dat daar nog wat aan voorafgaat! Een mogelijk nieuwe vrouw in mijn leven is dan later de kers op de taart. Maar eerst moet er een taartbodem en cake worden gebakken.

Ik vertel Wies over een regressie 25 jaar geleden, waarin ik contact kreeg met mijn laatste vorige leven direct na mijn sterven. Dat was mooi. En goed. Ik werd bedankt en kreeg als bewijs een hele hoge orde opgespeld. Sindsdien heb ik altijd gedacht dat mijn leven in het Derde Rijk daarmee klaar was. Maar dat was alleen maar op mind-niveau en lang niet voldoende, blijkt!

Ik ben nu aangekomen in een andere ruimte en lig op een bed met ijzeren spijlen. Het voelt aan als een soort sterfbed. Ik ben in een rustfase. Om mij heen zit een grote groep verzorgers in lichtgrijze kleding. Ik kan geen gezichten onderscheiden. Ze zijn er gewoon, niet actief, maar hebben wel de volle aandacht voor mij. Ik heb nog fysieke pijn van de verwondingen en wil dat voelen. Want dat hoort erbij. Alles gaat stroef. Ik ben niet voldoende in overgave. Misschien geloof ik niet dat ik dood ben.

“Ik ben niet vrij, verdomme!”

De verzorgers vragen mij collectief of ik naar de Kamer van Heling wil gaan.

Dat hoef ik niet zonodig. Ik stribbel tegen omdat ik nog niet voldoende geboet heb, verdomme.

Ik ben te zwak om weerstand te bieden. Ze rollen mijn bed gewoon die kamer in!

Onder protest ben ik nu in de lichtkamer. Ik verdien dit nog niet. Ik kom nooit meer vrij van mijn vorige daden! Maar dan op fysiek, emotioneel en cel-niveau. Ik wil/moet ziek blijven! Want als je ziek bent hoef je geen verantwoordelijkheid meer te dragen.

Ik ontkom nu in deze kamer niet meer aan het besef dat ik me ook kan laten genezen van het karma. Dat vraagt dus om overgave – het uit handen geven.

Wies vraagt me het tegenstribbelende deel in mij eens voor me neer te zetten.

Het is iets zwarts, duivels, satanisch.

“Wat heeft ‘dit’ nodig?” vraagt Wies.

Ik weet: “Ik ben dat ook.” Er is een duidelijke patstelling t.o. elkaar … pffff … nou zeg!

Het wezen, intussen een klein zwart mannetje geworden zegt:

“Ik ben nog niet weg. Ik hoef nooit weg, maarrrrr …. ik kan wel onschadelijk worden, als jij mij uitnodigt!”

“Ik ben jij en jij bent ik,” zeggen we allebei. Zo ver zijn we al.

Ik zit nu op het bed met hem aan het voeteneind. Hij weet dat als ik het licht ontsteek hij onschadelijk wordt. Ik vraag hem om dichterbij te komen om zijn macht over mij te verliezen. Ik heb een vooropgezet idee dat hij dat niet wil. Een vooroordeel dus. Hij krijgt nu nog wat (machts)energie erbij van mijn vader. Er is veel tijd nodig.

Als ik hem aankijk zie ik mijn eigen ogen. Er zit een soort vlies voor van verdriet, pijn, ongerechtigheden. Eeuwenlang heeft hij een inzameling gehouden van pijn, wanhoop en eenzaamheid. Het is gewoon zijn taak om dat voor mij op te sparen, verdomme.

Dat is nu allemaal uit mij en geprojecteerd in het mannetje. Ik voel me energieker en lichter – er vindt heling plaats. Die is nu goed in gang gezet. Ik kijk naar de groep. Die is blij. Ze doen niks. Ik doe het allemaal zelf.

Er is tóch een scheiding mogelijk: er is licht én donker in mij, in plaats van alleen maar grijs! Ik ervaar wat het is om wit te zijn en het mannetje is pikzwart. We glimlachen allebei. Sodeju.

Nu niks forceren. Wat wil er gebeuren? Het is spannend om uit mezelf op te gaan staan. Ik voel nieuwe voeten op de grond. Levend, anders.

Ik ga niet terug in het bed. Ik ga naar het mannetje toe en bedank hem door hem een stevige hand te geven. Hij zegt:

“Dat was gewoon mijn taak. Er is niks blijven hangen. Goede reis verder.”

Ik hoor iets als wat lijkt op: “Neem je bed op en wandel!”

Ik vind het vreemd om nu de kamer uit te gaan en het mannetje achter te laten. Wat gebeurt er dan met het mannetje? Heb ik hem later nog weer nodig? Moet hij wellicht gewoon zijn oude werk blijven doen? Het voelt te kaal en onaf om nu weg te lopen.

Het mannetje wacht af wat ik wil. Wat kan hij doen? Wat moet ik doen? Ik kijk naar de verzorgers. Die zwijgen in alle talen en laten mij ploeteren.

Dan wordt het duidelijk: het mannetje kan blijven en fungeren als een ‘absorptievest’ dat ik altijd blijf dragen, zonder dat het me hindert. Een soort kogelvrij vest, maar dan voor alle mogelijke psychische en negatieve aanvallen vanuit de wereld. Die komen dan niet meer direct binnen in mijn ziel om me van mijn stuk te brengen. Ik kan in mijn energie van licht en liefde blijven. Regelmatig kan ik het vest dan zelf schoonmaken. En terwijl ik dat doe, in liefde aan de ander denken die me dit heeft ‘aangedaan.’

Enkele dagen later ontdek ik dat het absorptievest ook beschikbaar is om resterende zwarte energieën uit mijn lichaam op te nemen. Dat gaat door het vele gedane voorwerk vanzelf door, zonder dat het voor mij van belang is precies te weten wát er dan uit mij gaat. Net als de vuilniszak die je aan de straat zet: die maak je ook niet nog eens open. Het vest heeft dus een tweezijdig werkende functie, van bescherming en genezing.

Het mannetje gaat dus in deze onmerkbare vorm met me mee de wereld in.

Het is mij inmiddels duidelijk geworden dat ik veel te vroeg weer geïncarneerd ben. Ik had in wezen veel en veel meer rust en bezinning nodig dan ik heb genomen. Hoewel ik op mijn echte sterfbed heb gezien dat het niet de goede ‘club’ was waarin ik een leidende taak had, heb ik de enorme potentiële- en dynamische energieën van het tot stand brengen van een duizend jarig rijk onderschat. Ik had ook nog eens de vrije keuze om snel weer terug te komen. Om een en ander gauw weer ‘goed’ te maken?

Het doet er niet meer zoveel toe. In de afgelopen 68 jaar heb ik, afgewisseld met korte perioden van hard werken,  op een aardse manier die rust alsnog gekregen. Zowel in de vorm van een arbeidsongeschiktheid, chronische depressies en …. ja, mijn hele geleefde leven. Niets uitgezonderd.

Ik heb de sessie beëindigd op het moment dat ik merkte meer tijd nodig te hebben om wat ik tot nu toe heb ervaren, te begrijpen, te verwerken en te verinnerlijken.

————————————————————————————————————————–

De nawerking

Het lijkt erop dat ik alles wat nog niet voldoende was genezen van al mijn vorige levens, had meegenomen naar dit leven in de vorm van een zware grauwsluier, eerder een deken. Ook wel hangover genoemd. Wellicht ligt hier de oorsprong van de als chronisch ervaren depressies en ingeperkte creativiteit.

De passieve aanwezigheid van de grote groep verzorgers is mij nu ook duidelijk. Ze waren beschikbaar, maar hebben mij in liefde laten gaan, terwijl ze wisten dat ik nog niet klaar was voor een nieuw leven. Individuele vrijheid is een Groot Goed in het Bestaan. Eigen initiatief wordt geprezen – zelfs wanneer bekend is dat dit de nodige pijn zal opleveren.

Ik heb na mijn laatste leven dus niet voldoende rust genomen. Dat móest dus wel gebeuren in dit leven. Ik kan nu wel glimlachen, hoor. Het wordt wat helderder – een sluier trekt langzaam op. Ik voel me genezen – ook van mijn eigenwijsheid! Voor mijn geestesoog zie ik de verzorgers voor mij applaudisseren! Hun kleding krijgt nu ook kleur en de hele kamer is lichter. Ik kan nu wellicht voor het eerst écht aan een nieuw leven beginnen! Door het worstelen heb ik meer dan genoeg verschillende levensterreinen mogen ontdekken, alhoewel niet voldoende geïntegreerd. Dit wordt getoond door de juwelen die naast het kistje lagen.

De oorzaak van het ‘leven in illusies’ wordt duidelijk: ik dácht dat ik klaar was voor een nieuw leven. Maar dat was ik helemaal nog niet. Ik was gehandicapt en had nog mijn beperkingen. Maar dat kon ik dus niet zien. Steeds maar weer dat uitreiken naar …… en er niet goed bij kunnen. Zo vaak aan nieuwe dingen begonnen, en even vaak knapte dit al snel weer af. De ideeën waren er wel, maar het gezonde gereedschap niet. Frustrerend dus.

Anderen kregen moeite met mij, omdat zij zagen wat ik vertelde niet klopte met wat ik deed. Ik moest toch iets overeind houden? Dan maar mooie verhalen waarin alleen ik zelf geloofde. Tja, dat leidt op den duur wel tot eenzaamheid, in een mooi leeg kistje …..

En het zwarte mannetje? Wie is dat dan? Nou, gewoon mijn schaduw. Als je in het licht staat is er altijd een schaduw – dat is een natuurwet. Ik wil hier niet verder over uitweiden. Laat ik het zo verwoorden: er is licht en er is donker. Zolang het licht aan is heeft donker geen kans. Ik ben niet bang voor het donker. Eerder voor het licht?

Nou, dat gaan we dan nog eens beleven, man.

Ik heb inmiddels wel de nodige kennis en ervaring opgedaan met het donker. Nou, dat kan dus niet. Donker kun je niet kennen! Maar wél voelen! Goed dan.

Het juwelenkistje

Mijn innerlijke schatten zaten niet in mijn kistje, maar lagen ernaast! Nee, dat konden ze tot nu toe ook niet goed. Ze voelden zich daarin niet thuis. Nu de bodem bedekt is met een foto van een mooie aard-appel, willen ze er wel in. Dit gaat in wezen vanzelf. Het deksel kan open blijven.

De dag na de sessie herinner ik me het geboorterecht om te genieten!

Dat is gekoppeld aan vriendelijkheid: een vriendelijke uitstraling naar anderen en openstaan voor de vriendelijkheid van anderen, als basishouding. Ik maak graag contact met vreemden, wanneer er enig oogcontact aan vooraf is gegaan. Een spontaan opkomend zinnetje is de brug tot een gesprekje, waarna we blijer onze weg vervolgen.

Na een maand voel ik mij nog steeds krachtig en sensitief en laat toe dat anderen mij ook zo ervaren. Ik ervaar perspectief – zonder de details te hoeven kennen. Mijn leven kan nu verlopen in de richting zoals het is bedoeld! Ik leer nog elke dag van de ‘fouten’ die ik maak. Alles gaat gewoon door, maar ik hoef niet meer ‘vast’ te komen zitten, lijkt wel. Ja, en dat ‘begon’ gewoon op een bank bij Wies.

Wies, nogmaals dankjewel.

Back To Top